wetenschap onder vuur

Wetenschappers onder vuur

‘Indoctrinazi’s’. ‘Fopwetenschap. ‘De UvA is een nest met linkse debielen’. Aanvallen op universiteiten en op UvA-wetenschappers nemen hand over hand toe. Wat doet dat met wetenschappers? Ik schreef er een artikel over, dat werd genomineerd voor beste artikel in een hogeronderwijsmedium in 2019.

Deze zomer sprak ik als onderdeel van een serie over veldwerk hoogleraar stadsgeografie Rivke Jaffe over het onderzoek dat ze deed op Jamaica. Na een vakantie met haar gezin plakte ze er een week aan vast om een kort onderzoek te doen naar hoe trainers van honden bij de politie en particuliere beveiligingsbureaus vooroordelen van zichzelf overdragen op honden. ‘Kunnen honden bijvoorbeeld seksistisch of racistisch zijn,’ was een vraag die Jaffe in haar onderzoek opperde. Het werd de kop van het stuk. Al snel ontstond een stroom aan boze reacties, die alleen maar sterker werd toen TPO en GeenStijl-reaguurders het bericht oppikten. Die varieerden van ‘UvA-fopwetenschap’ tot ‘De rest van haar “veldwerk” kan ook meteen de prullenbak in’.

Drie maanden later spreek ik Jaffe weer. Nu niet via een brakke Skypeverbinding met een weelderige Jamaicaanse tuin op de achtergrond, maar in het grijze REC-B-gebouw. Enkel foto’s van haar onderzoek herinneren nog aan de Caraïben. ‘Ik schrok er wel van toen die reacties ineens kwamen,’ zegt ze. ‘Toen ik het stuk voor publicatie inzag heb ik er vooral op gelet dat de methode die ik gebruikte om onderzoek te doen goed over het voetlicht kwam.’

In het defensief

Ze was niet per se boos, zegt Jaffe. ‘Ik voelde me wel aangevallen, omdat het heel erg over mij ging, over “die mevrouw”, en over of ik hiervoor wel naar Jamaica moest vliegen. Terwijl ik er al was voor een vakantie, en ik er helemaal niet extra voor vloog.’ Ze neemt een pauze. ‘Ik merk dat ik nu weer in de verdediging schiet.’ Dat deed ze destijds ook, zegt ze. Het liefst had ze willen uitleggen hoe ze haar onderzoek deed, waarom dat belangrijk is voor de theorievorming in haar vakgebied, dat er hoogstens 200 euro belastinggeld mee gemoeid was. ‘Maar dat gesprek kun je niet voeren met anonieme commenters.’

‘Ik voelde me aangevallen, omdat het heel erg over mij ging, over “die mevrouw”’

Jaffe doet onderzoek op hoog niveau, ontvangt regelmatig grote beurzen en haar werk is internationaal bekend. Ze vindt het leuk om te vertellen over haar onderzoek, bijvoorbeeld op publieke evenementen. Toen ze een jaar of tien geleden aan de Universiteit Leiden werkte, had ze een column in Universitair Weekblad Mare. ‘Hoewel ik daarin gevoelige onderwerpen zoals het slavernijleden of het uiterlijk van Zwarte Piet aansneed, kreeg ik nooit haatreacties, hoogstens ingezonden brieven met naam en toenaam van collega’s die het met me oneens waren.’ Vaker kreeg ze positieve boodschappen, herinnert ze zich. De online agressie had ze niet eerder meegemaakt, en is volgens Jaffe op haar geografieafdeling ook niet gebruikelijk. ‘Sommige collega’s zijn erg actief op Twitter. Die delen soms uit, maar incasseren ook veel. Daar worden weleens grapjes over gemaakt, maar echt serieus praten we er niet over.’

‘Linkse indoctrinatie’

Op de afdeling van Brian Burgoon, hoogleraar internationale en vergelijkende politieke economie en directeur van het Amsterdam Institute for Social Science Research (AISSR), zijn dit soort reacties wel het gesprek van de dag. Helemaal nadat op 9 oktober een politicologiestudent, die actief is bij een rechtse politieke partij, een sheet uit een Powerpointpresentatie van zijn college deelt. Blijkens de sheet hebben de ‘ideeën/ideologie: racisme, nationalisme, xenofobie’ een direct effect op de verkiezing van Trump. Het duurt niet lang voordat de tweet belandt bij politieke influencers aan de rechterkant van het politieke spectrum, zoals televisiepresentator Roderick Veelo en De Telegraaf-journalist Wierd Duk. Politicus Thierry Baudet (Forum voor Democratie) deelt de sheet en schrijft daarbij ‘linkse indoctrinatie’.

Illustratie: Marc Kolle

‘Mensen willen duidelijkheid en de sociale wetenschappen kunnen daarbij helpen, maar dan wel met de juiste uitleg erbij,’ zegt Burgoon erover. ‘Op die sheet werden probabilistic causes getoond voor een stem op Donald Trump. Voor de duidelijkheid: dat zijn dus geen oorzaken, maar een berekening van de kans op steun voor Trump onder mensen die bepaalde aannames uiten over ras en andere zaken. Wat wij daarmee willen zeggen is dat als je hypothetisch twee mensen hebt die precies hetzelfde zijn – qua inkomen, qua gezinssituatie, qua opleiding, noem maar op – en één iemand op één parameter hoger scoort – in dit geval racisme, nationalisme of xenofobie – de kans groter is dat diegene op Trump stemt.’

De grote botsingen in de samenleving

Dat goed uitleggen aan een collegezaal vol studenten die zich al een tijdje bezighouden met politicologie is al moeilijk, vertelt Burgoon, laat staan dat leken die sheet begrijpen. ‘Causale redenatie is voor veel mensen een standaard denkwijze,’ zegt hij. Wie racistisch, nationalistisch of xenofoob is stemt op Trump, dus Trump-stemmers zijn racistisch, nationalistisch of xenofoob, denken de Twitter-horden. ‘Maar dat is niet wat er staat,’ zegt Burgoon. ‘Er zijn natuurlijk in het echt duizenden omstandigheden die zo’n stem of voorkeur beïnvloeden.’

Goede wetenschapscommunicatie is de sleutel, vindt Burgoon, die voor zichzelf altijd drie stelregels hanteert. Bovendien behoort het tot de kerntaken van de wetenschapper om zijn kennis met het publiek te delen en open te staan voor debat of kritiek, zegt hij. Maar volgens hem is er de laatste tijd iets anders aan de hand: de aanvallen op de wetenschap worden harder en persoonlijker, en komen vaker voor. ‘De belangrijkste oorzaken zijn in mijn ogen de gepolariseerde samenleving en het opkomende populisme. Wij onderzoeken onderwerpen waar iedereen een mening over heeft. Je ziet dat vooral bij onderzoek dat de grote botsingen in de samenleving aansnijdt, zoals links versus rechts; populisme; alles rond ras, diversiteit en gender; en immigratie. Ik heb een achtergrond in de natuurkunde en durf wel te zeggen dat de gemiddelde Nederlander niet zo’n heftige mening heeft over de snaartheorie. De thema’s die sociale sociale wetenschappers onderzoek leveren vaak heftige reacties op, zowel van rechts als links, al zijn er vaak meer van rechts.’

Migratie en populisme

Ook hoogleraar politicologie Sarah de Lange, die onderzoek doet naar populisme, extreemrechts en nieuwe partijen, ziet dat. ‘Sociale wetenschappers, en ook geesteswetenschappers, onderzoeken thema’s waarop radicaalrechtse partijen hun kiezers mobiliseren, zoals migratie en populisme. Andere disciplines hebben er soms ook last van, als het bijvoorbeeld gaat over vaccinaties of over klimaatwetenschap.’

‘Radicaalrechtse partijen willen instituties zoals de academie vervangen door rechtse instituties’

Volgens De Lange vinden aanvallen op de wetenschap vaak plaats in een golfbeweging. In de jaren zestig en zeventig werden de universiteiten door links aangevallen omdat ze te rechts zouden zijn, nu worden wetenschappers door radicaalrechts aangevallen omdat ze te links zouden zijn. En wetenschappers zijn ook in meerderheid links, zo toonde UvA-socioloog Herman van de Werfhorst aan. Datzelfde onderzoekt toont echter dat dit, gecorrigeerd naar sociaaleconomische achtergrond en opleidingsniveau, niet uit de toon valt bij vergelijkbare beroepsgroepen.

‘Wat een belangrijkere factor is, is dat veel uitkomsten van ons onderzoek lijnrecht ingaan tegen wat radicaalrechtse partijen willen,’ vertelt De Lange. ‘Vorige week bleek uit onderzoek van een collega dat het redden van bootvluchtelingen op de Middellandse Zee geen aanzuigende werking op migratie heeft. Dat is natuurlijk precies wat radicaalrechtse partijen niet willen horen.’

Het vervangen van de universiteit

Volgens De Lange worden de aanvallen op de wetenschap gedreven door een radicaalrechtse ideologie. ‘Radicaalrechtse partijen willen instituties zoals de academie vervangen door rechtse instituties,’ vertelt ze. ‘Paul Cliteur van Forum voor Democratie heeft daar expliciete uitspraken over gedaan. In landen, waarin de liberale democratie wat minder stevig verankerd was dan in Nederland, zoals Polen en Hongarije zie je dat de positie van wetenschappers wordt aangetast. In Polen begon deze week een rechtszaak tegen een hoogleraar die een kritisch boek schreef over de Poolse rechtsstaat. De regering wil hem kaltstellen. In Hongarije is een politieke raad geïnstalleerd die over de verdeling van wetenschapssubsidies gaat. Een onafhankelijk orgaan, zoals de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) bestaat daar niet meer.’

Illustratie: Marc Kolle

Zo’n vaart zal het in Nederland niet lopen, denkt De Lange. ‘Maar het blijft voor individuele wetenschappers belangrijk om steeds weer de academische vrijheid uit te leggen, en te vertellen waarom die zo belangrijk is. Dat is dezelfde reden waarom ook media of kunst belangrijk is: Speaking Truth to Power.’ Universiteiten moeten op hun beurt hun wetenschappers verdedigen, zegt De Lange. ‘Ik vind de Leidse rector Carel Stolker een mooi voorbeeld. Hij draagt op Twitter actief uit dat een universiteit pluralistisch is, en springt in de bres als er wetenschappers geviseerd worden. Toen Nadia Bouras vorig jaar door een VVD-Kamerlid werd belaagd, sprak hij dat Kamerlid er persoonlijk op aan.’

Fanmail

Je hoeft maar een uurtje op Twitter rond te struinen en de krachttermen die UvA-wetenschappers naar hun hoofd krijgen zijn niet meer op één hand te tellen. Rechtsfilosoof Roland Pierik, die onderzoek doet naar of vaccinaties verplicht gesteld kunnen worden, is een geliefd haatobject. Op zijn site houdt hij onder het ironische kopje ‘fanmail’ een bloemlezing van verwensingen bij, waarin omschrijvingen als ‘een man zonder ziel’, ‘psychopate flapdrol’, ‘een ontieglijk domme boerenlul’ en ‘Mengele in de dop’ voorbijkomen. ‘Dit zijn niet eens de ergste dingen, ik heb ook weleens bedreigingen gehad,’ zei hij er vorig jaar over tegen Folia.

Ook politicologen zijn vaak slachtoffer. Enkelen van hen willen niet meewerken aan dit artikel. Eric Schliesser, hoogleraar politieke theorie en werkzaam bij de onderzoeksgroep Challenges to Democratic Representation, wil dat wel. ‘Dit is te belangrijk om te laten lopen,’ zegt hij.

Olifantenhuid

Zelf heeft hij ‘een olifantenhuid’ gekregen, vertelt hij. Lang blogde Schliesser met een aantal collega’s over spraakmakende thema’s in de wetenschap, ‘zoals genderdiversiteit, intimidatie en discriminatie op de werkvloer’. Ieder bericht dat hij over zo’n onderwerp schreef kreeg tientallen haatdragende, vaak anonieme reacties. ‘Maar als een vrouw iets schreef werd ze nog veel harder aangepakt, en die aanvallen waren vaak doordrenkt van misogynie.’ Dat is nu op zijn afdeling niet anders, vertelt hij. ‘Als je echt wil weten hoe vuil het kan zijn, zou je eigenlijk een aantal van mijn vrouwelijke collega’s moeten spreken.’ Degenen die wij benaderden willen echter niet meewerken.

Bij politicologie wordt er sinds enige tijd veel aandacht besteed aan dit soort voorvallen. AISSR-directeur Burgoon heeft een aantal praatsessies georganiseerd en werkt nu aan een nota. Schliesser is er blij mee. ‘Heel veel jonge academici voelen zich alleen, en onvoldoende gesteund. De UvA, maar ook financiers als de NWO en haar Europese tegenhanger [European Research Council, red.], hebben de academische vrijheid niet verdedigd op een manier die vertrouwen geeft. Ze pushen je altijd om in de media te komen, maar ze geven niet thuis als je de wind van voren krijgt.’

Jordan Peterson

De affaire rond het bezoek van de omstreden Canadese psycholoog Jordan Peterson aan de UvA heeft bovendien ‘een knauw’ gegeven aan het vertrouwen, vertelt hij. ‘Medewerkers die een open brief ondertekenden kregen mails met beledigingen en bedreigingen, maar de beheerder van het Twitteraccount van de universiteit schaarde die mails onder “vrijheid van meningsuiting” en creëerde zo een gelijk speelveld tussen die bedreigingen enerzijds, en de bezwaren van wetenschappers tegen de komst van Peterson anderzijds. Dat gelijke speelveld was er niet.’ Later zijn er vanuit de universiteit wel gesprekken met de medewerkers gevoerd, maar dat was volgens Schliesser onvoldoende. ‘De UvA is onvoldoende op die tweet teruggekomen, en dat is bij veel medewerkers een open wond.’

(Lees verder onder de tweet)

De UvA bestrijdt dat het bedreigende mails onder de vrijheid van meningsuiting heeft geschaard. ‘De UvA heeft bedreigingen aan het adres van medewerkers juist direct en scherp veroordeeld,’ zegt woordvoerder Yasha Lange. Hij stelt dat op Twitter en in de media de ingezonden brief van de UvA-wetenschappers verkeerd is geïnterpreteerd als het weren van een rechts geluid. ‘Onze reactie was ook gericht op die tweets waarin gezegd werd dat de UvA helemaal geen podium moest bieden aan Peterson. Voor zover er al verwarring kon bestaan daarover, hebben wij dat in een tweede tweet, tien minuten daarna, nog verduidelijkt.’

(Lees verder onder de tweet)

Vrijheid van meningsuiting versus academische vrijheid

Volgens Schliesser is het probleem dat academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting te vaak gelijk worden gesteld, terwijl het andere grootheden zijn. ‘Als ik een artikel gepubliceerd wil krijgen, dan moet ik me aan allerlei regeltjes en voorwaarden houden, anders kijkt een peer reviewer er niet eens naar. Vrijheid van meningsuiting in de wetenschap bestaat niet!’

Dat geldt ook in het onderwijs, vindt hij. ‘In een collegezaal gelden andere regels dan daarbuiten. Voor het pedagogische element van onderwijs is een vertrouwde omgeving belangrijk. In de collegezaal heb je de verplichting om samen over moeilijke onderwerpen te praten. Sommige studenten zeggen dan weleens iets waarvan ik denk: “Ik zou dat niet zo zeggen”, maar daar moet ruimte voor zijn. Als andere studenten dat gaan uitvergroten, of naar buiten brengen, dan worden er vertrouwensregels geschonden. Dat leidt tot een intimiderende sfeer ten opzichte van een docent of andere studenten. Die zijn bang dat zij de volgende zijn wiens opmerking wordt geretweet door Thierry Baudet en zijn vriendjes. En dit is geen hypothetisch geval. Dit gebeurt steeds vaker.’

‘Als studenten dingen uit colleges naar buiten brengen, worden er vertrouwensregels geschonden. Dat leidt tot een intimiderende sfeer’

Dat ziet ook Hebe Verrest, opleidingsdirecteur sociale geografie en planologie. ‘Het is een van de redenen dat we geen hoorcolleges online zetten,’ vertelt ze. ‘Allereerst vinden we hoorcolleges een moment van uitwisseling van gedachten, en vinden we dat studenten bij die wisselwerking aanwezig moeten zijn. Maar een college is ook een plek waar je leert en waar je fouten mag maken. Het moet een veilige leeromgeving zijn. Studenten mogen “domme vragen” stellen, wetenschappers mogen soms wat zeggen om iets los te maken bij studenten. Als dat online staat en je daar een kort fragment van knipt en het zonder context deelt, dan kan dat heel anders uitpakken dan hoe dat oorspronkelijk is bedoeld. We willen onze medewerkers en studenten daarvoor beschermen.’

Relatief onzichtbaar

Schliesser wil dat de UvA beleid gaat opstellen. ‘Allereerst moet duidelijk worden opgeschreven wat we onder academische vrijheid verstaan, of tenminste de kaders ervan, en hoe medewerkers en studenten daarmee om moeten gaan. Daarnaast moet er in mijn ogen in samenwerking met het Openbaar Ministerie een draaiboek of protocol komen voor wat er moet gebeuren als wetenschappers worden bedreigd. Ten slotte moet de UvA assertiever zijn. Het lijkt erop dat de UvA bang is voor de publieke opinie, en vanwege bezuinigingen ook voor de politiek. Ze is relatief onzichtbaar op dit soort onderwerpen. We moeten als universiteit uitleggen dat er een verschil is tussen academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting.’

Illustratie: Marc Kolle

UvA-bestuursvoorzitter Geert ten Dam zegt dat de aanvallen op de wetenschap ‘een maatschappelijk fenomeen met meerdere oorzaken’ zijn. ‘Maar de universiteit kan, als werkgever, wel helpen. De opleidingsdirecteur of decaan moet contact opnemen, steun verlenen en vragen waar de behoefte ligt. Dit soort zaken heeft altijd urgentie. Het is van belang dat onze medewerkers zich op zo een moment gesteund voelen door de direct leidinggevenden en de afdeling.’ Toch ziet Ten Dam ook dat zorgvuldigheid geboden is, omdat sommige betrokkenen soms bang zijn dat een publieke reactie van de universiteit de zaak erger of groter maakt. ‘Om die reden is het niet altijd bij andere medewerkers bekend wat de afdeling, faculteit of UvA gedaan heeft op de achtergrond. Bij bedreigingen stappen wij naar de politie en steunen wij uiteraard de aangifte van onze medewerkers. Wij kunnen ook juridische bijstand verlenen als iemand een zaak wegens smaad wil aanspannen. Opnames maken tijdens colleges en die ongevraagd online zetten mag niet. Doe je het toch riskeer je een door de faculteit opgelegde sanctie.’

Dat de UvA bang of onzichtbaar is, werpt Ten Dam verre van zich. ‘Ik kan wel zeggen, en dat heb ik ook in columns in Het Parool en in eerdere gelegenheden gezegd, dat ik mij uitspreek voor de rol van wetenschappers als publieke intellectueel, dat het juist in deze tijd nodig is feiten te blijven verspreiden en deel te blijven nemen aan het debat.’

Ze verwijst ook naar de tekst die ze uitsprak bij de opening van het academisch jaar drie maanden geleden. ‘Aanvallen op onze onafhankelijkheid en – erger – intimidatie van individuele wetenschappers, ondergraven het vertrouwen in de wetenschap en schaden de integriteit van docenten en onderzoekers. Binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat mag en moet iedereen op het scherpst van de snede kunnen debatteren. Iedereen heeft recht van spreken – ook in eigen huis. Op basis van gelijkwaardigheid, en van de kwaliteit van argumenten. (…) We zullen als college hier pal voor blijven staan.’

Meer dan een mening

Rivke Jaffe vindt net zoals Schliesser dat de universiteit moet uitleggen dat er een verschil is tussen academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting, al ziet ze ook de verschillen tussen de verschillende disciplines. ‘Veel geesteswetenschappers en sommige sociale wetenschappers doen niet-positivistischNiet-positivistisch onderzoek is onderzoek dat er vanuit gaat dat theorie en waarnemingen niet gescheiden kunnen zijn, en dat de werkelijkheid niet per se een stelsel van natuurlijke wetmatigheden is. Niet-positivistisch onderzoek gaat er vanuit dat de mens, en daarmee ook de wetenschapper (al dan niet bewust), ervaringen organiseert en analyseert. Daarmee kan iedereen een eigen ervaring van de werkelijkheid hebben en kunnen twee wetenschappers die hetzelfde onderzoeken tot een andere uitkomst komen zonder dat de ene per se ‘meer waar’ is dan de andere uitkomst. kwalitatief onderzoek. Wij erkennen dat het verschil kan maken wie een onderzoek doet: de vragen die je stelt, de methodologische keuzes die je maakt, hoe respondenten op jou reageren, hoe je data analyseert – je achtergrond kan op verschillende manieren een rol spelen. Daarmee onderstrepen we dat een wetenschapper nooit volledig objectief kan zijn en kennis altijd feilbaar is. We werken altijd meer op basis van waarschijnlijkheden dan zekerheden. Maar terwijl we die disclaimers maken, volgen we tegelijkertijd alle wetenschappelijke regels en protocollen om tot kennis te komen en die te toetsen. Wetenschappelijke kennis is meer dan de mening van een individu. Je kunt onze kennis niet tegenover de mening van zomaar iemand zetten en zeggen dat er een gelijk speelveld is.’

Minder opinieartikelen

Zou Jaffe het artikel over haar veldwerk in Jamaica de volgende keer anders zou aanpakken? Ze denkt van niet, behalve dat ze misschien meer zou opletten of de kop van het stuk de lading voldoende dekt. ‘Communiceren hoort bij ons vak en ik vind het ook leuk. Van dit soort reacties op sociale media word ik niet blij, maar het geeft voor mij ook aan hoe urgent het is om te blijven leggen waarom dergelijk onderzoek wel valide en belangrijk is.’

Burgoon is zelf wel terughoudender geworden. ‘Ik schrijf minder opinieartikelen in kranten, ik heb geen behoefte meer om me op Twitter in discussies te mengen. Bij sommige wetenschappers binnen mijn instituut gaat het nog verder, die geven geen lezingen meer over bepaalde onderwerpen. Een aantal mensen van het AISSR is bijvoorbeeld na een ingezonden brief door Room for Discussion benaderd om naast Jordan Peterson te komen zitten. Ze hebben allemaal geweigerd – niet omdat ze het niet wilden, maar omdat ze weten dat ze daar dan nog een maand of langer last van hadden gehad, dat er met modder gegooid zou worden, en dat ze wel belangrijkere dingen te doen hadden voor studenten en voor de maatschappij.’